De rui en ruiproblemen


Het uiterlijk en daarmee de showwaarde van onze duiven is sterk afhankelijk van de kwaliteit en het smetteloos schoon zijn van het verenpak. Duiven met bevuilde staarten en ontbrekende of afgebroken pennen zijn op shows bij voorbaat kansloos. Wij als fokkers kunnen er veel aandoen om dat te voorkomen.

Het voornaamste is een doelmatige inrichting van onze hokken, waarbij de zitschappen zo zijn aangebracht dat de dieren elkaar niet bevuilen kunnen. Een laagje droog rivierzand of vloerdekkorrel op de vloer voorkomt dat sleepstaartende doffers zich bevuilen.
In het wekelijkse bad doen we per 10 liter water een eetlepel badzout tegen medebewoners helpt het niet maar vooral licht gekleurde dieren blijven er schoner door.
Afgebroken staartveren, slag- of broekpennen kunnen we (met uitzondering van de 2 buitenste slagpennen) probleemloos trekken. Na 3 weken zijn ze weer royaal zichtbaar en naar 6 weken weer vrijwel volgroeid. Indien één der buitenste slagpennen gebroken is kunnen we er beter maar afblijven de kans op beschadiging van de papil of follikel is erg groot een te korte of misvormde pen is dan het resultaat. Ook niet volgroeide pennen waarvan de zogenaamde spoel nog in het bloed staat (goed zichtbaar aan de onderzijde) kunnen we nog niet trekken. Behoudens enkele broekpennen worden alle veren een keer per jaar vernieuwd. De zogenaamde donsrui gaat het gehele jaar door maar de echte grote rui begint met het vallen van de eerste slagpen. Bij gepaarde oude duiven valt die eerste slagpen bij het bebroeden van het tweede legsel. Niet gepaarde duiven ruien hun eerste slagpen meestal niet voor medio mei. Op een leeftijd van ongeveer 7 weken kan men bij jongen duiven het ruien van de eerste slagpen verwachten. Het vreemde is dat het ritme van pennen stoten bij later in het seizoen geboren jongen veel vlugger is zodat bijvoorbeeld in maart geboren jongen vaak eerder uitgeruid zijn dan hun in januari geboren broertjes en zusjes.

Vrijwel alle duivenrassen (Pauwstaarten en Rollers zijn bekende uitzonderingen) hebben 10 slagpennen, 10 broekpennen en 12 staartpennen. Het patroon van ruien is echter bij all duivenrassen het zelfde. De rui begint altijd met de kortste slagpen als die ongeveer driekwart volgroeid is valt de volgende slagpen. Nadat de vijfde à zesde slagpen zo vernieuwd is wordt de eerste staartveer geruid. De staartrui begint met de staartveren links en rechts naast de middenveren en als laatste worden de op een na buitenste staartveren vernieuwd. De zogenaamde arm- of broekpennen ruien minder volgens een vast patroon. Ongeveer gelijktijdig met de eerste staartveer wordt ook de eerste broekpen gestoten dit is gewoonlijk de broekpen die bij geopende vleugel het dichtst bij het lichaam staat achtereenvolgens de tweede en derde van het lichaam af gerekend. Als vierde wordt dan vaak de broekpen die in het midden van de vleugel naast de eerste slagpen staat gestoten. In het tweede jaar ruien sommige duiven als eerste weer die zelfde broekpennen en beginnen pas daarna aan de volgende. Er zijn ook duiven die de in het geboortejaar vernieuwde broekpennen in hun tweede levensjaar niet ruien. Bij kleurslagen die door de zon verbleken (zoals bijvoorbeeld de blauwzilvers) kan men door het trekken van niet geruide pennen eventuele kleurverschillen opheffen. De rui van de vleugeldekveren begint ongeveer met het vallen van de eerste staartveer de schouders zijn het eerst aan de beurt en de dekveren van de achtervleugel worden het laatst vernieuwd. Als de laatste slagpen volgroeid is behoort ook de hals- en koprui voltooid te zijn.

Augustus en september zijn voor de duiven de echte ruimaanden dan moeten de veren er als het ware afstuiven. Een vlotte en probleemloze rui is echter van meerdere factoren afhankelijk. Bij jongen duiven speelt de leeftijd een grote rol de zogenaamde winterjongen (tot half februari) ruien veel trager dan de zomerjongen. Bij jongen die na 15 juli geboren zijn blijven meestal de buitenste slagpennen en staartveren staan. Als we oude duiven goed uit willen laten ruien moeten we uiterlijk half augustus de nestschotels wegnemen. Broedende duiven ruien zeer traag ook door het lang laten zitten op stenen eitjes wordt de rui vertraagd.

Als we toch te lang met onze duiven doorfokken hebben (bijvoorbeeld later dan half september) zullen we over moeten gaan tot een zogenaamde geforceerde rui. Daartoe verwijderen of sluiten we alle broedhokken. Gedurende 24 uur krijgen ze geen eten en in het drinkwater doen we op twee liter water een afgestreken eetlepels z.g. engels zout (magnesiumsulfaat). Ook de tweede dag krijgen ze dit purgeermiddel toegediend. Met een krappe portie zuiveringsmengeling moeten ze het doen pas s’avonds geven we ze vers drinkwater (zonder toevoegingen). Ook de derde dag krijgen ze alleen een zuiveringsmengeling. Als het goed gaat stuiven de oude donsveren nu rond door het purgeren stuift er nog meer rond dan alleen donsveertjes maar met twee dagen is de mest vaster en meer gebonden dan ooit. Na die derde dag krijgen ze weer royaler voer. Het is nu zaak een goede mengeling te geven. Alles wat de geslachtsdrift aanwakkert is nu taboe dus geen haver of hennep. Ook het percentage tarwe en mais moeten we beperken. Vooral aan lijnzaad is bekend dat het verenpak er zacht en glanzend van wordt. Jammer genoeg kun je ze niet dwingen om het te eten. Vitamines (niet die uit het potje) maar in de vorm van gekiemde tarwe, linzen en taugé completeren het menu.


 

 

 

 

Top