Historie van de Nederlandse Schoonheidspostduif

Een van de oprichters van de Schoonheids Postduiven Club (SPC), Dhr. Dusseljee, schreef  in 1949 in het officiële NBS orgaan “De Sierduif” een artikel over de Nederlandse Schoonheidspostduif. Hij vertelde daarin dat de Nederlandse Schoonheidspostduif reeds vanaf 1929 wordt gefokt door sportfokkers die geheel buiten de sierduivensport stonden. Zoals het ook in het buitenland het geval was, werden op de tentoonstellingen voor vliegpostduiven, juist die dieren het hoogst bekroond, welke door hun uiterlijk in vlotte lijn en kleur uitblonken. Dit was een doorn in het oog van de postduivenhouders waarvan de dieren ook echt op de vlucht gepresteerd hadden, maar op de tentoonstellingen de mindere waren van de (sier) postduiven. Er werd daarom afgestapt van een getekend standaard ideaal en de dieren werden daarna naar kilometerafstand ingezonden, doch ook nu weer waren het de sierpostduivenhouders die uitblonken. Na een grote onderlinge strijd werd daarom besloten dat postduiven die gezien hun uiterlijk een kruising verraadden alleen nog maar ingezonden mochten worden in aparte hiervoor ingestelde schoonheidsklasse. Vanaf  toen was het een kwestie van keurmeesterkeuze, de meeste keurmeesters waren echter zelf “vlieg”mensen en het was bekend dat zij niet direct sympathiek stonden tegenover de Schoonheidspostduif. Het is daarom verwonderlijk dat in die moeilijke tijd, nog zoveel fokkers de Nederlandse Schoonheidspostduif zijn trouw gebleven. Inmiddels is er een nieuw tijdperk aangebroken voor deze duif, door de zorg van de onlangs opgerichte Schoonheidspostduivenclub (1948) is er een standaard voor de Nederlandse Schoonheidspostduif aangenomen door de standaard commissie. E.e.a. is tot stand gekomen door nauwe samenwerking tussen de heren Lenting, die het ontwerp heeft gemaakt, Logman, Moezelaar en Maas. Zodat de Nederlandse Schoonheidspostduif  die we vanaf  heden gaan fokken er in grote lijnen als volgt zal uitzien. Hij zal een toonbeeld zijn van harmonie, elke overgang van onderdeel tot onderdeel zal vloeiend rond en gestroomlijnd zijn en wel zo, dat elke plompheid en hoekigheid vreemd aan haar zal zijn. Het geheel volkomen uitgebalanceerd en bij elkaar passend. Hoewel de grootte niet het belangrijkste onderdeel is, zal te groot of te klein zoveel mogelijk worden vermeden en de normale postduif grootte het plezierigst aandoen. Het lichaamsmodel zal het schuitmodel zijn, d.i. breed en vol van borst snel verlopend in de stuit, zodat bij aanvatting de vogel als het ware uit de handen glijdt, rug en borstbeen dienen vanzelf sprekend zacht en sterk te zijn. De kop en alles wat er aan zit, is wel het moeilijkste te fokken onderdeel. Hiermee staat of valt het gehele ras. Vanaf de snavelpunt tot het achterhoofd is dit een glooiende lijn door niets onderbroken. Het hoogste punt ligt (onzichtbaar) even boven het oog, van hier uit volgt een ronding die het achterhoofd vormt en in de nek verloopt. Het is juist de glooiend oplopende voorhoofdslijn, die de grootste moeilijkheden oplevert is deze te rond dan is de Duitse vogel geboren terwijl te vlak of geknepen haar doen teruggaan naar de oerstam, n.l. de vlieger. Van boven gezien zal deze zelfde gevuldheid aanwezig moeten zijn vanaf snavelpunt tot aan het oog een niet te scherpe “V” vorm daarna een zuivere cirkelvorm. Hierdoor dient dus de snavel een brede basis te hebben en een stevige niet scherpe snavelpunt. Zeer verwerpelijk zullen dan ook de tuimelaars bekken zijn daar hierdoor de kop nooit een postduiven uitdrukking kan behouden. De neusvleugels zullen glad en fijn van weefsel moeten zijn lang gerekt en bescheiden geheel passend in het profiel dus niet te fors en te breed. Hoewel de oogkleur bij de vliegvogels geen rol speelt zal onze tentoonstellingspostduif om een rustige vriendelijke en toch intelligente uitdrukking te hebben gebonden worden aan een oranjerood tot roodbruin oog al naarmate haar gevederte. De oogranden zullen ook afhankelijk van het gevederte licht tot donkergrijs van kleur zijn bovendien zo smal mogelijk. Dit zij zo wel de voornaamste punten die ik duidelijk uiteen wilde zetten. Alle erkende sierduivenkleuren zullen in ons ras gefokt mogen worden en juist op dit terrein is er nog heel wat te doen voor liefhebbers welke geduld en volharding bezitten een prachttaak. De Nederlandse Schoonheidspostduif is een jong ras en hierdoor buitengewoon sterk ze kan gehouden worden zowel in kleine als grote hokken. Fokkers die jaren sierduiven hielden en met veel ziekten en verlies te kampen hadden beleefden van hun Schoonheidspostduiven in ’t afgelopen seizoen veel plezier haar onovertroffen zorgzaamheid bij het opfokken der jongen maakt deze vogel bijzonder geschikt voor hen die de gehele dag van huis zijn. Het beste laat ze zich houden op de manier der vliegpostduiven een of twee maal daags een uur vliegen en geregelde maaltijden die krachtig maar niet te royaal moeten zijn.

H. Dusseljee

 

Ontleend uit het NBS orgaan: “De Sierduif”

1e jaargang no. 4 oktober 1949

 

Van 1916 tot.....nu

 

Top